De PFAS-vervuiling illustreert voor Isabelle Vanhoutte hoe verdeelde kennis en opgesplitst beleid een grondige, preventieve aanpak verhinderen, waardoor de gehele samenleving achteraf de prijs betaalt.
“De totale kosten voor de sanering van PFAS en het dekken van de gezondheidskosten zijn zeer hoog en onzeker.” Dat staat in een rapport waar De Standaard maandag over berichtte. De cijfers zijn allesbehalve abstract: de sanering alleen al zou ons land tot 6,2 miljard euro per jaar kunnen kosten, gedurende twintig jaar. Daarin vervat zit een geschatte gezondheidsschade van ongeveer 2 miljard euro per jaar. Dat is een structurele aanslag op onze welvaart.
En toch is er nog steeds geen Europees of Belgisch verbod op PFAS. Die forever chemicals blijven gewoon circuleren in onze economie, ons water en ons lichaam. Het rapport geeft de prijs weer van de manier waarop we met chemische vervuiling omgaan: traag, versnipperd en reactief. Precies die versnippering maakt die rekening zoveel zwaarder.
Wie de PFAS-problematiek bekijkt, kan een patroon zien dat verder reikt dan één stofgroep. In mijn werk rond toxische stoffen in plastics viel me vooral één ding op: er bestaat heel wat kennis, maar die zit verdeeld over eilandjes. Onderzoekers die kijken naar hormoonverstorende effecten van bisfenolen, opereren vaak volledig los van PFAS-specialisten. Immunologen spreken een andere taal dan milieuwetenschappers. Nog minder is er verbinding met wetenschappers die zich buigen over toxische rookgassen of bodemassen – contexten waarin dezelfde stoffen zich ophopen en via het milieu verspreid raken – of met specialisten in de Reach-wetgeving, die net bedoeld is om gevaarlijke stoffen van de Europese markt te weren.
Door die versnippering ziet niemand nog het volledige plaatje. En wat we niet als geheel zien, kunnen we moeilijk als geheel aanpakken. Het resultaat is een systeem waarin stoffen jarenlang op de markt kunnen blijven tot hun schadelijkheid onomstotelijk bewezen is, vaak nadat ze al wijd verspreid zijn in milieu en lichaam. Tegen die tijd is terugdraaien moeilijk, traag en extreem duur. Sanering, medische opvolging en schadebeheer komen dan in de plaats van preventie.
En ondertussen is er de collectieve rekening. We betalen via belastingen voor bodemsanering en waterzuivering. We dragen via onze gezondheidszorg de kosten van chronische ziektelast. En we leven in een systeem waarin nieuwe stoffen steeds weer worden toegelaten, vaak zonder dat hun langetermijnimpact volledig gekend is. Onze overheid blijft stoffen vergunnen, en het advies van het Departement Zorg dat de impact van die relatief nieuwe stoffen zou moeten meenemen in de vergunningsprocedure, ontbreekt vaak gewoon.
Volgens het klassieke principe betaalt de vervuiler. Maar in de praktijk loopt het vaak anders. Veel vervuiling is historisch, bedrijven zijn verdwenen of opgesplitst, en stoffen werden destijds legaal gebruikt. Juridische verantwoordelijkheid is daardoor moeilijk toe te wijzen. Dus verschuift de rekening naar de samenleving.
Wat deze crisis blootlegt, is meer dan een milieuprobleem. Het is ook een kennisprobleem en een bestuursprobleem. Zolang we de verschillende puzzelstukken apart blijven bekijken – toxicologie hier, milieu daar, regelgeving elders – blijven we achter de feiten aanlopen.
De echte kostprijs van PFAS is die van een systeem dat te laat ziet wat het zelf heeft toegestaan. Tot koppels geconfronteerd worden met vruchtbaarheidsproblemen zonder duidelijke oorzaak. Tot kinderen met ontwikkelingsstoornissen kampen. Tot mensen chronische aandoeningen ontwikkelen waarvan de link met chemische blootstelling pas jaren later duidelijk wordt. Die rekening wordt, uiteindelijk, collectief betaald.
Lees de volledige tekst hier.