Burgers krijgen steeds meer richtlijnen om schadelijke stoffen te vermijden, maar we laten die stoffen wél op industriële schaal produceren. Ziet dan niemand hoe paradoxaal dat klinkt, vraagt Isabelle Vanhoutte zich af.
Het advies uit een studie van de KU Leuven naar de impact van hormoonverstoorders bij zwangere vrouwen (DS 30 maart) is helder: vermijd plastic, kies natuurlijke cosmetica, verwarm geen voeding in kunststof. Die boodschap is tegelijk terecht én ongemakkelijk. Burgers krijgen steeds meer richtlijnen om schadelijke stoffen te vermijden, maar we laten die stoffen wél op industriële schaal produceren.
Neem bisfenol A, of BPA. We weten al meer dan 25 jaar dat die stof de hormoonhuishouding kan verstoren. De regelgeving werd stap voor stap strenger. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid verlaagde onlangs nog de “veilige” dagelijkse inname met een factor twintigduizend. Wat ooit al weinig was, is nu bijna verwaarloosbaar klein. Zoals een onderzoeker het verwoordde: een halve theelepel BPA in een olympisch zwembad volstaat om meetbare effecten te zien.
Die prof vertelde ook over een studie in Nature Communications, waaraan meer dan duizend zwangere Australische vrouwen deelnamen tussen 2010 en 2013. Ze gingen na hoeveel BPA er in het bloed van die moeders zat tijdens hun zwangerschap en volgden daarna de ontwikkeling van hun kinderen. Bij een specifieke groep jongens met een tragere stofwisseling bleek de kans op een autismediagnose op negenjarige leeftijd tot 6,5 keer hoger te liggen als hun moeder meer BPA in haar lichaam had dan de controlegroep. Bisfenolen hebben verder ook een bewezen impact op onder meer spermakwaliteit, ADHD en obesitas.
Toch produceren we nog altijd massaal BPA. Waarom? Omdat het spotgoedkoop is. Dat is het gevolg van een efficiënt productieproces op basis van aardolie en aardgas. De grondstoffen – fenol en aceton – zijn bouwstenen van de petrochemische industrie die in en rond Antwerpen al decennialang stevig verankerd is. Goedkoop, schaalbaar en winstgevend: precies daarom is BPA zo hardnekkig.
Die economische logica loopt door tot in Brussel, waar bedrijven via sectororganisaties zoals Cefic en PlasticsEurope wegen op de regelgeving. Enkele jaren geleden vocht PlasticsEurope de classificatie van BPA als hormoonverstorend en reproductietoxisch tot drie keer toe aan bij het Europees Chemicaliënagentschap. Zonder succes, maar het toont aan hoe ver bedrijven gaan om een winstgevend product te beschermen.
De productie van BPA blijft intussen op volle toeren draaien. Zo wordt de verantwoordelijkheid bijna volledig bij het individu gelegd. Alsof gezondheid vooral een kwestie is van persoonlijke keuzes, terwijl de omgeving fundamenteel mee bepaalt waaraan we worden blootgesteld. Waarom blijven we stoffen produceren waarvan we al decennia weten dat ze risico’s inhouden, zeker in gevoelige fases zoals een zwangerschap?
We weten intussen dat hormoonverstoorders een probleem vormen. Daar hoort eigenlijk een productie- en vergunningenbeleid bij dat die kennis ernstig neemt, maar dat beleid ontbreekt. De economische logica weegt nog te vaak zwaarder dan gezondheidsvoorzorg.
Maar wat betekent dat concreet? Kinderen met gedragsproblemen, zwangerschappen die moeilijker verlopen, verstoorde voortplantingsprocessen: kunnen we dat echt blijven wegzetten als nevenschade?
Lees de volledige tekst hier.