‘Chemische stoffen worden op grote schaal op de markt gebracht, terwijl de langetermijneffecten pas achteraf en fragmentarisch in kaart worden gebracht. Misschien is het tijd om dat kader fundamenteel te herzien’, schrijft Isabelle Vanhoutte nadat verschillende webwinkels verschillende hoofdtelefoons uit de verkoop haalden.
Deze week haalden webwinkels als Bol.com en MediaMarkt verschillende hoofdtelefoons uit de verkoop. In de producten werden te hoge concentraties schadelijke stoffen aangetroffen, waaronder bisfenol A (BPA). Dat BPA aanwezig is, betekent niet automatisch dat gebruikers er ook schadelijke hoeveelheden van opnemen. Dat is iets waar toxicologen terecht op wijzen. Maar het nieuws laat wel het licht schijnen op een dieper liggend probleem: de groeiende spanning tussen wat we wetenschappelijk weten over BPA en de schaal waarop de stof vandaag wordt geproduceerd en toegepast.
Dat BPA een hormoonverstorende stof is, staat al lang vast. Wereldwijd staat ze onder verhoogde aandacht van overheden, met onder meer een verbod in babyflesjes. BPA bootst het hormoon oestrogeen na en kan de hersenontwikkeling van embryo’s beïnvloeden, de vruchtbaarheid verstoren en wordt in verband gebracht met aandoeningen zoals diabetes, obesitas en – bij een specifieke groep jongens – autisme.
Cruciaal is dat deze effecten optreden bij extreem lage concentraties. In experimenteel onderzoek volstaat een minuscule dosis om meetbare biologische veranderingen te veroorzaken. Daarom besloten Europese gezondheidsautoriteiten de maximaal toelaatbare blootstelling met een factor 20.000 te verlagen. Want de effecten zijn al meetbaar bij een verdunning vergelijkbaar met één theelepel in twee olympische zwembaden. Een Australische wetenschapper vergeleek BPA-blootstelling dan ook met die aan lood – een stof waarvoor eigenlijk geen veilige ondergrens bestaat.
Die wetenschappelijke kennis staat in schril contrast met de realiteit van de markt. In de Antwerpse haven kreeg een chemisch bedrijf een vergunning om dagelijks meer dan 600 ton BPA te produceren. Het roept de vraag op waarom een stof die al bij uiterst lage dosissen impact heeft, zo wijdverspreid wordt ingezet.
Een belangrijk deel van het antwoord ligt in economische logica. BPA is goedkoop, veelzijdig en technisch efficiënt. Een kilo kost ongeveer 1,37 dollar. Dat is vergelijkbaar met de prijs van een blikje frisdrank, en dat komt door het productieproces: BPA wordt gemaakt uit fenol en aceton, die via het cumeneproces ontstaan uit benzeen, propyleen en zuurstof. Al die grondstoffen zijn afkomstig uit aardolie en aardgas: goedkoop, overvloedig en al decennialang de ruggengraat van de petrochemische industrie in Antwerpen. Die lage kostprijs maakt het voor veiligere alternatieven moeilijk om door te breken. En door gaten in de wetgeving blijken die ‘veilige alternatieven’ later vaak zelfs niet veiliger. BPA-vervanger BPS bleek achteraf zelfs giftiger dan BPA.
BPA is geen alleenstaand geval. Samen met duizenden andere hormoonverstorende stoffen verstoort het de essentie van ons mens-zijn: hoe onze hersenen ontwikkelen, hoe we ons gedragen en waardoor we ziek worden. Opvallend is hoe beperkt het maatschappelijke debat hierover blijft. Alleen wanneer een concreet product uit de rekken verdwijnt, laait de aandacht even op.
Chemische stoffen worden op grote schaal op de markt gebracht, terwijl de langetermijneffecten pas achteraf en fragmentarisch in kaart worden gebracht. Misschien is het tijd om dat kader fundamenteel te herzien. Voor geneesmiddelen geldt een omgekeerde logica: ze worden pas toegelaten na uitgebreide veiligheidsstudies en blijvende opvolging. Gezien de impact van hormoonverstorende stoffen op het menselijk lichaam is het niet onredelijk om te vragen waarom diezelfde voorzichtigheid hier ontbreekt.
Het debat gaat niet over één hoofdtelefoon, maar over hoe we als samenleving omgaan met chemische stoffen waarvan we weten dat ze ingrijpen in fundamentele biologische processen. Tijd om hier wat kritischer mee om te gaan.