Verslag boeklancering ‘Lek – Hoe plastiek ons ziek maakt’
Op 17 maart stelde ik mijn nieuwe boek ‘Lek – Hoe plastiek ons ziek maakt‘ voor in Muntpunt in Brussel. Ik ging er in gesprek met Dirk Holemans, auteur van ‘Grondgenoten‘ en oprichter van Denktank Oikos. Daarna bracht Stefanie De Bock van De Transformisten een reflectie.
Wat een hartverwarmende lanceringsavond was het. Met een uitverkochte zaal en zoveel blije gezichten, zelfs na een ‘deep dive’ in de problemen met plastics.
“Een broodnodig boek,” noemde Stefanie van De Transformisten ‘Lek’. En Dirk Holemans wist in een mooi gesprek de essentie van het boek haarfijn bloot te leggen.
Herlees het welkomstwoord
Goedenavond allemaal. Fijn dat jullie hier zijn. En fijn dat dit boek er eindelijk is. Het was eerlijk gezegd een hele grote, langgerekte rollercoaster om het te schrijven.
Als ik terugga tot het hele begin, begon het denk ik allemaal met een gevoel. Een soort buikgevoel dat ik al op verschillende momenten had gevoeld, misschien net zoals jullie, zowel tijdens mijn onderzoek naar plastics als gewoon in mijn dagelijks leven. Een gevoel van: klopt dit eigenlijk wel?
Neem de handeling van een leeg frisdrankflesje of een plastic kaasverpakking in de PMD-zak te gooien. Je doet dat, en ergens ga je er dan vanuit dat het daarna wel goed komt: het wordt gerecycleerd, en daarna wordt er een mooi nieuw flesje van gemaakt, of een fleecetrui, en het kan allemaal zo’n kwaad niet. Toch?
Maar onderhuids vraag je je af: hoe werkt dat eigenlijk precies? Waar gaat dat plastic naartoe? Wie recycleert het? En wat wordt er daarna opnieuw van gemaakt of… wordt het verbrand?
Een andere ervaring die me aan het denken zette, was een bedrijfsbezoek een paar jaar geleden bij een fabrikant van isolatiematerialen in West-Vlaanderen. Ze waren daar heel enthousiast over een nieuwe oplossing voor een probleem: hun isolatieplaten zijn gemaakt van een soort kunststof die moeilijk te recycleren is, PUR. Maar zij hadden toch een manier gevonden om dat wel te doen.
En dus, je komt daar binnen, wordt goed ontvangen, mensen nemen de tijd om alles uit te leggen. En het is ook echt interessant, want er gebeurt echt wel innovatie. Maar af en toe komt er zo’n moment dat je bijblijft, omdat het wringt.
Zoals toen ik vroeg: wat gebeurt er als er in die oude isolatiepanelen stoffen zitten die ondertussen verboden zijn? Bijvoorbeeld bepaalde vlamvertragers die vroeger veel gebruikt werden, maar waarvan we ontdekten dat ze schadelijk kunnen zijn voor mens en milieu, en die dus niet meer gebruikt mogen worden.
— Tja, als die stoffen verboden worden, dan gebruiken we ze niet meer.
En dan de vraag: als er dan nieuwe stoffen opduiken, die niet oké zijn – zoals we de afgelopen jaren met PFAS nog meemaakten -, wat gebeurt er dan?
— Ja.. dan gebruiken we die ook niet meer.
En daarmee was het verhaal zowat rond. Maar zo’n momenten blijven wel hangen.
En ook tijdens de vele bezoeken aan recyclagebedrijven – met hun typische geur en hun grote machines en veel lawaai – had ik vaak interessante gesprekken met mensen die daar werkten. Ze proberen echt oplossingen te vinden voor moeilijke problemen.
Maar toch.
Ik herinner me bijvoorbeeld een bezoek aan een bedrijf dat plastic folies maakte uit gerecycleerde wikkelfolies, die op bouwwerven bijvoorbeeld rond een pallet bakstenen worden gewikkeld. Het gaat om best grote volumes, zo, alle bouwwerven bij elkaar geteld. En ze waren er voor het eerst in geslaagd om ‘circulaire’ folies te maken.
Maar, toen ze trots vertelden dat hun nieuwe folie tot wel 50 procent uit gerecycleerd plastic bestond, en dat de andere helft nieuw materiaal was en extra toevoegingen – omdat je anders de juiste sterkte en kwaliteit niet kreeg – bleef ik toch vooral met de vraag achter: is 50 procent recyclage dan iets om mee uit te pakken?
Dat gevoel – beter begrijpen hoe de vork in de steel zit – is uiteindelijk uitgemond in dit boek.
En eerlijk gezegd was het schrijven ervan een proces waarbij ik om de paar maanden opnieuw compleet verrast werd. Soms zat ik echt achter mijn bureau verbaasd te denken: wat is hier eigenlijk aan de hand? Hoe kan het dat zo weinig mensen dit weten en erover praten? Waarom is niet iedereen hiermee bezig?
Een van de momenten waarbij ik me echt geshockeerd voelde, was toen ik in het Antwerps vergunningenregister dit document vond: een vergunning voor een fabriek in de Haven om 250.000 ton bisfenol A per jaar te produceren, of 685 ton per dag.
Bisfenol A of BPA is een chemische stof die gebruikt wordt in plastics, bijvoorbeeld om polycarbonaat hard en stevig te maken. Dat soort plastic zit onder andere in drinkflessen, constructiemateriaal en andere producten die hun vorm moeten behouden.
Misschien doet de naam BPA bij sommigen een belletje rinkelen. Want BPA is al jaren onderwerp van discussie. De stof zat vroeger ook in babyflesjes. Maar we weten eigenlijk al heel lang – al meer dan 25 jaar – dat BPA invloed kan hebben op onze hormoonhuishouding en bijvoorbeeld onze vruchtbaarheid. Daarom staat de stof ondertussen onder verhoogd toezicht.
Als je kijkt naar hoe regels rond BPA zich ontwikkeld hebben, zie je dat ze stap voor stap strenger werden. Sommige landen, zoals Frankrijk, verboden BPA al vroeg in verpakkingen of babyspeelgoed. Later kwamen er ook Europese regels.
En recent heeft de Europese voedselveiligheidsautoriteit de toegelaten dagelijkse hoeveelheid BPA nog eens sterk verlaagd. Namelijk met een factor twintigduizend. Dus mensen mochten al niet veel BPA binnenkrijgen, maar nu moest dat nog eens 20.000 keer minder. Dat betekent dat er eigenlijk maar een extreem kleine hoeveelheid nog als veilig wordt beschouwd.
Tijdens mijn onderzoek sprak ik met een Australische professor, en ze legde het mij zo uit: je kan het vergelijken met één theelepel BPA in twee olympische zwembaden. Dat is de hoeveelheid waarbij je al effecten kunt meten.
Die prof vertelde ook over een studie bij meer dan duizend zwangere Australische vrouwen tussen 2010 en 2013. Ze hadden gekeken naar hoeveel BPA er in het bloed van die moeders zat tijdens hun zwangerschap, en ze hadden daarna de ontwikkeling van hun kinderen gevolgd.
Wat ze zagen, was dat bij een bepaalde groep jongens – enkel een specifieke groep met een tragere stofwisseling – de kans op een autismediagnose op negenjarige leeftijd tot 6,5 keer hoger lag, wanneer hun moeders meer BPA in hun lichaam hadden dan bij de controlegroep. Toen zij dat resultaat zag, zei ze dat ze zelf ook even van haar stoel viel.
Dat soort inzichten kwamen natuurlijk bij mij ook binnen. Want ik ben mama. Net als veel vrouwen in die studie was ik in 2013 zwanger. Tijdens die zwangerschap had ik een heel duidelijke wens: ik wilde cola en zure beertjes. Ik dronk echt veel cola. Sloten cola. Bewijs: toen ik achteraf op controle ging bij de tandarts zei die: oh, wat is hier gebeurd? Cola blijkt even zuur als citroensap in PH-waarde en da’s niet goed voor je tanden.
Toen ik dan bij de research voor het boek opzocht of er in die periode BPA in de coating aan de binnenkant van blikjes cola zat, was het antwoord: ja. Studies uit die periode toonden ook aan dat mensen die cola uit blikjes dronken hogere meetbare hoeveelheden BPA in hun urine hadden dan mensen die cola uit flesjes dronken.
En dan kwam het besef: misschien heb ik mijn kinderen door mijn gedrag blootgesteld aan een stof waaraan ik hen helemaal niet wilde blootstellen. Misschien heb ik, door cola te drinken, door contact met voedselverpakkingen, matrassen, auto’s, kleren, laptops, tv’s, speelgoed, noem maar op – ervoor gezorgd, dat bepaalde ontwikkelingsprocessen anders zijn verlopen dan normaal. Dat is een gedachte die je niet meer kan terugdraaien.
Dus toen ik, met al die informatie in mijn achterhoofd, ontdekte dat die vergunning in de Antwerpse haven bestond, dat er een fabriek op grote schaal BPA mag produceren, op ongeveer twaalf kilometer van waar ik woon, viel ik ook van mijn stoel.
Want voor de dagelijkse blootstelling, betekenen die honderden tonnen BPA per dag wel héél veel theelepels in olympische zwembaden.
En toen ik dan verder las in de adviezen bij die vergunning, viel mij nog iets op. Sommige adviezen ontbraken gewoon, van instanties die eigenlijk zouden moeten toezien op de impact van die productie op mens en milieu. En in de adviezen van Departement Zorg werd er met geen woord gerept over mogelijke hormoonverstorende eigenschappen, of andere op dat moment allang gekende problemen met BPA.
Er was in heel het vergunningsproces niemand die expliciet de vraag stelde: is dit vanuit gezondheidsperspectief wel verstandig?
Wat ik leerde tijdens het schrijven van dit boek was dan ook dat er een groot gebrek is aan kennis over veel van de stoffen die in plastics zitten. Soms weten we dat ze giftig kunnen zijn. Maar vaak weten we het gewoon niet, omdat ze nog nauwelijks onderzocht zijn. Er is amper controle.
Dat controle en overzicht ontbreken, is echt een probleem, want elk jaar komt het gewicht van de hele wereldbevolking aan nieuw plastic op de markt, en een groot deel van die plastics worden razendsnel afval, in Europa wordt bijvoorbeeld zo’n 70 procent van het plastic binnen het jaar afval.
Als afval kunnen de toxische stoffen in plastics zich verder verspreiden via rookgassen, bodemassen, lekwater en een bloeiende internationale, vaak illegale afvalhandel. Waarna ze terechtkomen in grondwater, drinkwater, planten, mensen en dieren die ermee in contact komen.
Mijn conclusie is dan ook dat we minder voorzichtig zijn dan we zouden moeten zijn. We brengen stoffen op grote schaal in omloop, terwijl we vaak nog niet goed begrijpen wat ze doen met ons lichaam en onze omgeving.
Dat zulke stoffen op grote schaal op de markt worden gegooid, roept belangrijke vragen op, en dat zijn niet enkel toxicologische, niet enkel economische, niet enkel ecologische of juridische vragen. Het zijn al die vragen, samen. Want er bestaat heel veel specifieke kennis, maar weinig overzicht.
En dat is dan ook wat ik hoop met dit boek te doen: die pijnpunten zichtbaar maken, en het debat op gang trekken. Hoe willen we als samenleving omgaan met stoffen waarvan we weten dat ze effecten kunnen hebben, maar waarvan we nog niet alles begrijpen?
Dat is geen eenvoudige vraag. Maar het is wel een vraag die het waard is om samen te stellen. En ik ben blij dat we dat gesprek vanavond kunnen beginnen.
Ik ben blij dat het boek er is. Ik ben blij dat jullie hier zijn. En ik ben blij dat ik niet meer de enige ben die met deze vragen rondloopt. Want ik merk dat steeds meer mensen erover beginnen praten. En hopelijk kan dit boek daar een steentje aan bijdragen.
Het onderwerp van de avondWelkomstwoordjeVeel blije gezichtenStefanie De Bock van De TransformistenIn gesprek met Dirk Holemans van Denktank Oikos